Een liefdesbrief aan Anton

Vroeger werd “Anton vangt een Vis!” altijd aan me voorgelezen. Anton, de tamme aalscholver van Jan, had een vis doorgeslikt en heel moeders huis ondergepoept. Anton mócht al geen vis vangen want hij was de grote concurrent van de vissers op de Zuiderzee. Ik leerde zo dat aalscholvers vies zijn. 

Als zes jarige lezertjes werden wij vroeger meegenomen naar de wereld van het Lelijke Eendje, Poes Pinkie en de Hongerige Leeuw. De Gouden Boekjes van Rubinstein (eerst de Bezige Bij) gingen altijd over een dier. Of over iets met een mannetje. Ik vraag me af hoe veel van de liefde voor dieren van ons diergeneeskunde studenten onbewust door Het Walvisje of Konijntje Woelwater komt.

Het is jammer dat de aalscholver als zo’n schurk in onze geheugens staat. Vissers op zout en zoet water hebben last van ze omdat ze in grote kolonies leven en zo de viskweek bedreigen. Ze hergebruiken hun nesten niet en hebben zure, fosfaatrijke poep waardoor bomen in hun leefgebied elk jaar nieuwe schade wordt aangedaan. Ik weet nog dat ik voor het eerst hoorde dat vogels hun jongen voeren door de voorgekauwde vis op te braken in hun snaveltjes. Dat vond ik ook best een schurkenstreek toen ik zes was. 

Toch hebben ze iets romantisch. Ze zijn een beetje onhandig. Ze staan altijd met hun vleugels wijd, alsof ze op Schiphol staan te wachten op hun geliefde die net is geland. Dat doen ze omdat hun verenkleed niet waterdicht is. Door dat gewicht kunnen ze meters diep duiken en dus bij meer soorten vis. Ze zijn niet kieskeurig. Elke keer moeten ze zich daarna drogen in de zon en wind. Ze zorgen zo dat ze nog steeds geen makkelijke prooi zijn. Ze zijn zo fragiel dat ze kunnen sterven van een hartverzakking. 

Het vliegen, vissen en drogen doen ze samen. Dat is een prachtig beeld omdat ze constant dezelfde afstand tot het wateroppervlak behouden, ook als het golft. Ik weet niet of iemand ooit onderzocht heeft waarom en hoe ze dat doen, maar vanuit de verte lijkt het alsof er zwarte lintjes op de golven drijven. Het mooiste zijn ze als je ze van heel dichtbij ziet. Dan blijkt ineens dat ze niet zwart-grijzig zijn, maar heel donkergroen-blauw. Om hun bek zit een felgele rand, ze hebben een soort glans in hun verenkleed en zijn heel erg zacht. 

De meeste van ons hoeven in de toekomst niet over ze na te denken, erin te snijden of hun levens te redden. Het is dus makkelijk om ze te waarderen. Aalscholvers zitten overal in Nederland. Als je vanuit de trein langs de Oostvaardersplassen rijdt of aan het IJmeer staat, kun je ze met z’n allen zien zitten.